Zorgplicht Belastingdienst: #doeslief!

Instantie
RubriekOpinie
AuteurMr. H.A. Elbert
NTFR2020/1788
Datum publicatie NTFR18-06-2020

Laten we er voor het gemak eens van uitgaan dat ik absoluut geen fouten maak en mij altijd aardig en netjes gedraag.

Of u mij nu persoonlijk kent of niet, ik vermoed dat u uw twijfels hebt bij het lezen van deze stelling. Niemand is perfect, toch? Ik heb in een ver verleden bij de Belastingdienst gewerkt als belastinginspecteur, ook toen was ik niet perfect. Toch wist ik in die tijd al wel dat er van een ambtenaar net dat stapje extra wordt verwacht. A. Je bent het gezicht van de overheid, en B. Het gaat niet om jouw eigen centen maar om het belang van de maatschappij als geheel. Hoe is het dan toch nog mogelijk dat er ambtenaren zijn die zo uit de bocht vliegen? En dan heb ik het niet over kleine foutjes, maar over het doelbewust knevelen van mensen, zoals in de beruchte toeslagenaffaire. Het is wat mij betreft goed dat de staatssecretaris aan de bel trekt en zelfs de stap heeft genomen om aangifte te doen. Wat ik verbijsterend vind, is dat deze mensen (mochten de verhalen kloppen) een soort functionele gratie is beloofd en dat zij – ondanks klachten van hun collega’s – zo lang hun gang hebben kunnen gaan.

Gelukkig (hopelijk) zijn dit uitzonderingen, maar op kleinere schaal speelt dit ook in andere zaken. Zo ken ik een inspecteur die weigerde te handelen conform een arrest van de Hoge Raad omdat hij persoonlijk vond dat het door de Hoge Raad goedgekeurde systeem niet deugde. Als belastingplichtige sta je dan meteen 3-0 achter, want met het indienen van een klacht over zo’n handelwijze haal je meestal meer overhoop dan je lief is. Oftewel loop je het risico dat jouw andere klanten hier ook last van krijgen. Een vreedzame oplossing is dan meestal het devies. Ik ga nog een trapje terug: wat als een inspecteur niet moedwillig de wet of rechtspraak terzijde legt, maar niet de moeite neemt om de wettekst te lezen? Wanneer de inspecteur dit onjuiste standpunt herhaalt tot in bezwaar of zelfs in beroep, vind ik dit persoonlijk ook in de categorie ‘schandalig’ thuishoren. Zo is er bijvoorbeeld een inspecteur die de investeringsaftrek op een personenauto heeft geschrapt omdat het nu eenmaal algemeen bekend is dat je daarover geen investeringsaftrek kunt claimen. Het heeft tot in de bezwaarfase geduurd voordat iemand in de wettekst van het juiste jaar keek en tot de ontdekking kwam dat dit in het desbetreffende jaar wel degelijk mogelijk was.

Eind november was er nog een uitspraak van het hof over de eindheffing voor het privégebruik van de bestelauto (Hof Den Haag 19 november 2019, nr. 18/00955, NTFR 2020/410). Voor de liefhebber: deze eindheffing is te vinden in art. 31, lid 1, onderdeel d, Wet LB 1964. Deze eindheffing houdt grofweg in dat je het privégebruik van een bestelauto als genoemd in art. 13bis van deze wet onder voorwaarden kunt afkopen met een eindheffing van € 300. Toch neemt de inspecteur de stelling in dat deze eindheffing toepassing mist omdat de bestelauto’s in privé voor meer dan 500 kilometer kunnen worden gebruikt, belanghebbende op het privégebruik geen controle toepast, de bestelauto’s ’s avonds niet op het bedrijfsterrein van belanghebbende blijven staan en de auto’s dus ongelimiteerd in privé zouden kunnen worden gebruikt (uit r.o. 5.7 van de uitspraak). Ik zou bijna zeggen: ‘Ja, dûh, anders hoef je het privégebruik toch niet af te kopen?’, maar ik probeer me in te houden. Het hof zegt overigens – maar dan in wat diplomatiekere bewoordingen – in r.o. 5.8 hetzelfde: ‘De Inspecteur ziet er aan voorbij dat geen van deze omstandigheden door de wetgever als voorwaarde is gesteld voor de toepassing van de eindheffingsregeling. Wanneer zou blijken dat, dan wel belanghebbende erop zou toezien dat, de werknemers met de bestelauto’s niet meer dan 500 kilometer per jaar zouden rijden, is de forfaitaire bijtelling van artikel 13bis Wet LB 1964 niet van toepassing en wordt aan het bepaalde in artikel 31, eerste lid, onderdeel d, Wet LB 1964 niet toegekomen. Dat is ook het geval wanneer de bestelauto’s “achter het hek van het bedrijfsterrein” blijven staan, dus buiten werktijd niet gebruikt kunnen worden. (Vgl. de toelichting op gewijzigd amendement van het lid De Nerée tot Babberich, Kamerstukken II 2005/06, 20 306, nr. 40, blz. 2.).’

De rechtszaken over deze eindheffing en over de eerdergenoemde personenauto hadden ook betrekking op andere inhoudelijke stellingen. Een wat betere leesvaardigheid had deze dus waarschijnlijk niet voorkomen, maar toch zou ik ervoor willen pleiten dit soort fouten te voorkomen door bijvoorbeeld bij belastingcontroles wat meer aandacht te besteden aan de wetteksten. Misschien preek ik voor eigen parochie, maar als belastingadviseur mag/moet je partijdig zijn en soms een stelling uitprocederen die in het belang van je klant is en/of eventueel op een onjuiste interpretatie van de klant berust. Als inspecteur heb je die luxe wat mij betreft niet. Wel in het geval er onduidelijkheid is over de wettekst of de bedoeling daarvan, niet als het gaat om slordigheden bij het lezen van wetteksten. Wat mij betreft mag je van een inspecteur als professional meer kunde op dat gebied verwachten dan van de gemiddelde belastingplichtige.

Hiermee kom ik op de aanleiding van deze Opinie: de conclusie van A-G Niessen van 15 mei jl. (nr. 19/03705, NTFR 2020/1766). Het betreft een zaak waarin een onjuiste vooronderstelling van een belastingplichtige tot heel grote financiële gevolgen heeft geleid. Kort weergegeven gaat het om iemand die geld van zijn pensioenpot leent om rond te komen en aangeeft het voornemen te hebben gehad om dit uiteindelijk weer aan te zuiveren. Dit gaat uiteindelijk niet helemaal zoals gepland en er volgt een forse belastingaanslag. Hoewel deze aanslagen, voor zover ik van hieruit kan beoordelen, terecht zijn en de inspecteur hier zijn wetteksten goed heeft gelezen, uit de advocaat-generaal in zijn conclusie bij deze zaak een noodkreet richting de Hoge Raad en vooral de Belastingdienst door ambtshalve de vraag op te werpen of er niet een zorgplicht op de inspecteur rust in gevallen waarin een belastingplichtige die onvoldoende kennis van het belastingrecht heeft, door een handelen zonder antifiscaal doel met fiscale gevolgen wordt geconfronteerd die haaks staan op zijn oogmerk. Ik citeer uit de samenvatting:

‘Aan de hand van Kamerstukken, literatuur en diverse rapporten wordt getoond dat aan de Awb (mede) de gedachte ten grondslag ligt dat de overheid er primair is voor de burger en dat deze hem in voorkomende gevallen zo nodig de helpende hand moet bieden; in de laatste jaren is gepleit voor verschuiving van het bestuurlijk perspectief naar het burgerperspectief, dat intussen zowel door de regering als de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is omarmd.

In beginsel gelden de grondslagen van de Awb eveneens voor het belastingrecht. Maar de mogelijkheden voor de inspecteur om de belastingplichtige tijdig te informeren en te waarschuwen zijn beperkt. Dat neemt niet weg dat hij in voorkomende gevallen, bijvoorbeeld in het raam van het hoorgesprek, met de belanghebbende kan nagaan of voor diens situatie een oplossing kan worden gevonden.’

Ik ondersteun deze noodkreet van harte, hoewel ik als inspecteur misschien wel een hartverzakking had gekregen. Ik ga er namelijk zonder meer van uit dat de meeste oud-collega’s dit sowieso wel doen en bang zijn overladen te worden met nóg meer werkzaamheden en verantwoordelijkheden. Toch kan een beetje extra aandacht voor dit onderwerp beslist geen kwaad. Ik ben het dan ook met de advocaat-generaal eens dat de zorgplicht van de inspecteur tot de algemene beginselen van behoorlijk bestuur moet worden gerekend. (Op social media zag ik al de hashtag #doeslief gekoppeld worden aan deze conclusie). Wat schuilt er voor kwaad in dat de belastingrechter in dergelijke gevallen marginaal toetst of de inspecteur aan zijn zorgplicht voldoet? Daarentegen is het natuurlijk lastig om te beoordelen of iemand tot een ‘dergelijk geval’ gerekend kan worden. Hoe weet je dat dan? Is iedereen die zonder adviseur op bezoek komt bij de Belastingdienst een ‘dergelijk geval’? Moet je dan als inspecteur de rol van adviseur overnemen? Bevoordeel je dan niet de belastingplichtigen zonder adviseur ten opzichte van de belastingplichtigen met adviseur? En stel dat ze met een slechte adviseur aan komen zetten? Of in dit kader besluiten hun adviseur aan de kant te zetten? Ik zou eerlijk gezegd niet weten hoe je als Belastingdienst daarmee om zou moeten gaan. Misschien door interne richtlijnen op te stellen? Ik betwijfel of dit gaat werken. Richtlijnen zijn natuurlijk goed, maar ik denk dat de meeste goedbedoelende inspecteurs deze helemaal niet nodig hebben. De richtlijnen zijn toch juist bedoeld voor het contingent inspecteurs dat zich weinig van richtlijnen aantrekt, toch? Kortom, het signaal is zonder meer zeer lovenswaardig, temeer als het nog eens door de Hoge Raad bevestigd wordt, maar ik vraag me af hoe we hier in de praktijk mee om moeten gaan. Wellicht is een #doeslief-poster in de kantine van de Belastingdienst en plaatsing van het onderwerp op de agenda van het teamoverleg meer dan voldoende. Hebt u andere suggesties? Ik hoor ze graag. Samen komen we per slot van rekening een stuk verder dan alleen.

Ik sluit mijn Opinie af met een praktische suggestie die ook met het onderwerp ‘zorgplicht van de Belastingdienst’ te maken heeft: de zorgplicht ten aanzien van de postverwerking. Moeten we zomaar accepteren dat niet alle aan de Belastingdienst gerichte post op de juiste bestemming aankomt? Wat dat betreft biedt de communicatie per e-mail (hoe onveilig misschien ook) veel betere kansen dan de communicatie per post. Belangrijke stukken verzend ik per e-mail én per post; de kans is groot dat dan in elk geval een van beide zendingen aankomt, en bovendien heb ik zo een soort bewijs van verzending. Het komt echter voor dat je stukken niet digitaal in kunt dienen en/of geen e-mailadres (of zelfs naam) hebt van de juiste contactpersoon. In dat geval is aangetekende verzending vaak aan te raden. Mij is echter meermalen gebleken dat zelfs aangetekende stukken verdwijnen bij de Belastingdienst. In december van het afgelopen jaar heb ik bijvoorbeeld een verzoek om vooroverleg ingediend. Dit aangetekend verzonden stuk is een dag later ontvangen door de Belastingdienst. De desbetreffende ambtenaar heeft getekend voor ontvangst. Bij telefonische navraag naar de status van het vooroverleg bleek dit aangetekend ontvangen stuk niet in het systeem te staan. De in februari nagezonden kopie is ontvangen door de Belastingdienst, zo werd mij telefonisch bevestigd. Dat de behandeltermijn van acht weken hierdoor niet in december maar pas in februari startte, vond ik op zich al frustrerend. Blijkbaar is een door een collega in december ondertekende ontvangstbevestiging geen reden om de zaak wat sneller af te handelen. In mei belde ik nogmaals over de status, maar nu blijkt dat ook het tweede stuk spoorloos verdwenen is! De aantekening van ontvangst die in februari in het belastingdienstsysteem vermeld stond, is nu eveneens met de noorderzon vertrokken. Hoe is dit mogelijk? En hoe het zit met ons vooroverleg? Ik heb werkelijk geen idee. Wellicht is het in behandeling bij de afdeling rond archief … Zou het niet mogelijk zijn om een systeem te ontwikkelen waarbij een adviseur onder invulling van zijn beconnummer en wat andere privacywaarborgen kan inzien welke post de Belastingdienst van hem heeft ontvangen? Dat ik daar liefst ook nog de naam van de behandelaar en de status van de behandeling bij zie staan spreekt voor zich, maar ook met een simpel ontvangstsysteem zou ik al heel erg blij zijn.

Samenvatting en conclusie

Niemand is perfect, ook medewerkers van de Belastingdienst niet. Wat extra aandacht voor de zorgplicht richting belastingplichtigen is echter een goede zaak. Dit betreft niet alleen de grensoverschrijdende handelwijze van sommige ambtenaren bij de afdeling Toeslagen, maar ook de minder schokkende huis-tuin-en-keuken-problematiek waarbij een door een onkundige belastingplichtige gemaakte fout soms zeer verstrekkende gevolgen kan hebben. De term #doeslief is ook in dit geval van toepassing. Ik sluit af met een pleidooi om de zorgplicht ten aanzien van de door de Belastingdienst ontvangen post te verbeteren. Mocht u overigens toevallig bij de Belastingdienst werken en ziet u ergens een formulier vooroverleg van mijn hand liggen? Bel of mail mij dan even. Ik kom persoonlijk een goedkeurend vinkje zetten op uw zorgplichtformulier!

Lees verder

Niet geschoten is altijd mis

Niet geschoten is altijd mis: hoe je alsnog een belastingaftrek voor een medisch hulpmiddel kunt claimen door af te zien van de Wmo.

(Auteur: Heleen Elbert, verschenen in Belastingzaken nr. 4 2020)

In deze zaak gaat het toevallig om een traplift in een woning. En ja, ik weet dat de traplift op dit ogenblik helemaal niet meer aftrekbaar is, maar lees hiervoor in de plaats een nog wel aftrekbaar hulpmiddel waarvoor men een beroep kan doen op een tegemoetkoming van de Wmo (de Wet Maatschappelijke ondersteuning) en u snapt waar de belastingplichtige mee bezig is.

Achtergrond

Wanneer men een belastingaftrek wil claimen voor medische hulpmiddelen, gelden diverse voorwaarden. Zo moet het hulpmiddel bijvoorbeeld niet uitgesloten zijn (voor de liefhebbers: artikel 6.17 Wet IB) en moeten de kosten voor dat hulpmiddel op de belastingplichtige drukken. In artikel 6.18 Wet IB staan nog een aantal uitzonderingen. Zo staat er bijvoorbeeld dat de eigen bijdrage die men moet betalen voor de WMO niet aftrekbaar is van de belasting. Maar stel dat men vanwege een hoog inkomen geen Wmo-aanvraag indient, levert dit dan onbedoeld toch nog een leuke aftrekpost op?

De zaak

Of de belastingplichtige dit bewust heeft uitgedacht, of dat het een latere vondst van zijn adviseur is weet ik niet, maar als vakidioot vind ik de door belastingplichtige gekozen oplossing erg creatief. Hij kwam er namelijk achter dat hij teveel verdiende om echt gebruik te kunnen maken van de Wmo. Zijn eigen bijdrage zou gelijk zijn aan het bedrag dat hij voor de traplift af moest tikken, dus “Laat maar zitten”, was waarschijnlijk een van de gedachten die bij hem opkwam. Geluk bij een ongeluk (of briljante ingeving) was dat er op die manier geen sprake is van een niet aftrekbare eigen bijdrage voor de Wmo, maar wel van drukkende zorgkosten. Kortom, geen belemmering om het totale voor de traplift betaalde bedrag (minus drempels) in aftrek te brengen in de aangifte inkomstenbelasting. Dat de inspecteur hier anders over dacht, zal geen verbazing wekken.

De uitspraak

Tegen de tijd dat de zaak bij de Hoge Raad in behandeling komt, hebben beide partijen een keer gewonnen. De inspecteur krijgt gelijk van de Rechtbank: door deze ‘truc’ zou de functie van de fiscale aftrek als vangnet voor diegenen die niet op grond van een andere regeling vergoeding van hun kosten zouden kunnen krijgen niet tot zijn recht komen. Het Gerechtshof denkt er anders over: er is geen eigen bijdrage voor de WMO, dus de kosten voor de traplift zijn gewoon aftrekbaar. In cassatie wijst de staatssecretaris nogmaals op de vangnetfunctie. Bovendien is het niet eerlijk ten opzichte van de belastingplichtigen die wel een tegemoetkoming in de Wmo aangevraagd hebben. Hij gebruikt hiervoor het volgende cijfervoorbeeld:

 Aanvrager 1Aanvrager 2Geen aanvraag
Kosten traplift10.00010.00010.000
InkomenLagerGelijkGelijk
Eigen bijdrage9.50010.000
Tegemoetkoming50000
Aftrekbaar0010.000

Kortom: Bij de beoordeling van de niet-aftrekbare eigen bijdrage moet het niet uitmaken of een WMO-voorziening is aangevraagd of niet.

In eerste instantie krijgt hij gelijk van de Advocaat-Generaal. Deze geeft in zijn Conclusie aan dat je de wet op twee manieren kunt uitleggen:

1.     Letterlijk, dan heeft belastingplichtige een aftrekpost

2.     Op basis van de geschiedenis van wet, dan heeft de belastingplichtige geen recht op de aftrek omdat deze bedoeld is als vangnet.

De A-G adviseert de Hoge Raad om voor de tweede uitleg te kiezen.

De Hoge Raad gaat hier niet in mee: “wetsgeschiedenis biedt onvoldoende aanknopingspunten om de in art. 6.18, lid 1, letter d, Wet IB 2001 vervatte aftrekbeperking ruimer uit te leggen dan uit de tekst voortvloeit.” Kortom: geen Wmo-voorziening aangevraagd? Dan heeft men recht op de aftrekpost!

Tip: het is natuurlijk de vraag hoe lang het duurt tot de wetgever dit artikel aanpast, maar tot die tijd kunnen belastingplichtigen hier hun voordeel mee doen. Heeft men toch al geen of nauwelijks recht op een Wmo-vergoeding? Beoordeel dan de fiscale aftrekmogelijkheden en kijk of het zinvol is om de Wmo-aanvraag te laten zitten.

Lees verder

Hoera, ik heb een belastingstoornis!

Column verschenen in de rubriek ‘U en ik’ van het Sdu tijdschrift BelastingZaken, nummer 3 september 2019

Hebt u daar ook last van? Zo’n meervoudige belastingstoornis? Ben je aan het werk, dan heb je teveel voorstellingsvermogen: je kunt je zo goed voorstellen hoe zo’n belastingprobleem voor iemand is. Zozeer zelfs, dat het lastig is er een factuur voor te sturen. Ach ja, als je iemand even op weg kunt helpen is dat mooi toch? Heb je eens vrije tijd, dan hoor je in gesprekken altijd weer de belasting voorbijkomen, ook al gaat het soms niet eens over fiscale zaken, maar over overbelasting van een of ander netwerk of zo. Ik heb als autobelastingspecialist ook het bijkomende probleem dat ik aansla op het woord ‘auto’. En, hoe vaak denkt u dat dat woord zoal voorbijkomt in een gemiddelde week? Op mijn vakantie in een ver oord vroeg ik mij zelfs af hoe je eigenlijk het privégebruik van een olifant van de zaak zou moeten berekenen, per kilo?

Enfin, eigenlijk vind ik het niet zo heel erg dat ik deze stoornis heb. Vroeger wel hoor, maar inmiddels heb ik er ook de voordelen van ingezien. Volgens mij ga je er beter door adviseren (nou ja, dat hoop ik dan) wanneer je je goed kunt inleven in je klant. Ook komt het volgens mij mijn schrijfwerk en lezingen ten goede dat ik bij alle mogelijke fiscale vraagstukken wel een of ander sappig verhaal kan bedenken. Het belangrijkste voordeel zit’m echter in mijn werkplezier. Welk ander beroep is zo flitsend? De opmerking dat ons werk saai en grijs is, is een typische opmerking van mensen die er geen idee van hebben wat ons beroep eigenlijk inhoudt. Okay, ik sla mogelijk een beetje door, maar zeg nou zelf: in welk ander beroep kom je zoveel van de dagelijkse praktijk tegen? Welk ander beroep kun je dagelijks toepassen in de praktijk? En, wat mij betreft de topper: in welk ander beroep wijzigen de spelregels elke dag? Bijna nergens toch? En wie houden het vol in deze dagelijkse strijd? Wij! Daar mogen wij best wel een beetje trots op zijn vind ik. Ik vind ons ontzettend stoer wat dat betreft. En ja, dat we dan moeten leven met een meervoudige belastingstoornis, dat zij dan maar zo. Wij kunnen het aan, toch? Ik moet alleen nog even wat factuurschaamte overwinnen, dat dan weer wel. Het blijft lastig om geld te vragen voor iets dat je bij wijze van spreken zo uit je mouw schudt. Voor die stoornis heb ik nog niet echt een oplossing kunnen vinden. U wel? Dan hoor ik deze graag.

Werkze!

Heleen Elbert

Lees verder

Heleen Elbert over Prinsjesdag en mobiliteit: auto en fiets van de zaak

10 september 2019

Uit het klimaatakkoord is gebleken dat de bijtelling voor elektrische auto’s per 1 januari 2020 omhoog gaat. Daar hoeven we op Prinsjesdag dus waarschijnlijk niet veel nieuws meer over te verwachten. Maar wat speelt er verder nog op 17 september rondom mobiliteit en wat zien we massaal over het hoofd? SalarisNet sprak Heleen Elbert, spreker tijdens de Personeel en Salaris Vakdag over dit onderwerp.

Elbert: ‘We hebben een tijdje terug het klimaatakkoord gezien. We weten dus al wat er waarschijnlijk met de bijtellingspercentages voor elektrische auto’s gaat gebeuren. Ook weten we dat er geen kilometeradministratie meer hoeft worden bijgehouden voor ter beschikking gestelde fietsen, maar dat er ongeacht het aantal privékilometers een vaste bijtelling komt. Toch zitten er nog talloze vragen in de details van de invulling van deze mobiliteitskwesties.’

Lees ook: Bijtelling elektrische auto’s omhoog: een rekenvoorbeeld

De korting omlaag

Een van die details is de uitwerking van het klimaatakkoord. Daar moet Elbert trouwens nog wel even iets van het hart. Er heerst namelijk een hardnekkige overtuiging dat er sprake is geweest van 4 procent bijtelling. Elbert: ‘Er zijn geen speciale percentages. Er zijn alleen de percentages van 22 procent bijtelling voor auto’s van 2017 of later (25% voor 5 jaar oude auto’s van voor 2017) en 35 procent voor auto’s die ouder dan 15 jaar zijn. De wet hanteert vervolgens een aantal kortingen op dat percentage. De bijtelling gaat dus niet omhoog, de korting gaat omlaag. Waar op het gebied van elektrische voertuigen nu een korting geldt van 18 procent, wordt daar per 1 januari 2020 een korting waarschijnlijk van 14 procent van gemaakt. Daarom gaat de bijtelling op elektrische auto’s van voor 2017 die ouder zijn dan 5 jaar ook naar 11 procent.’

Overigens blijven er wel auto’s bestaan waar nog 4 procent bijtelling voor geldt. Dat zijn namelijk auto’s die op waterstof en zonne-energie lopen. Daar zijn er niet zo veel van, maar uit deze maatregel blijkt wel waar de overheid dus ontwikkelingen in wil zien. Elbert verwacht gezien de stimulering van waterstof, zonne-energie en mindere mate ook elektrische voertuigen de nodige aanpassingen rond de bpm, motorrijtuigenbelasting en accijns op Prinsjesdag.

De details rond de bijtelling

Ondanks het Klimaatakkoord zouden er nog best een paar interessante zaken kunnen aankomen op Prinsjesdag. Elbert: ‘Belasting en zekerheid gaan niet samen. Het is al vaker gebeurd dat een nieuwe wet rond de auto van de zaak al bekend was gemaakt en vervolgens toch nog werd gewijzigd. Ook zijn een aantal aspecten nog niet uitgewerkt. Het is bijvoorbeeld best mogelijk dat de lagere bijtelling niet voor 60 maanden zal gelden. Die termijn staat namelijk niet in het klimaatakkoord. Wat dat betreft heb ik helaas ook geen glazen bol.’

Bijtelling fiets voor de zaak

Op dit moment moet je belasting inhouden over de werkelijke waarde van het privégebruik als werknemers een fiets van de zaak hebben (een ter beschikking gestelde fiets). Deze bepaal je door het echte aantal privékilometers te vermeningvuldigen met de werkelijke kilometerprijs van de fiets. Om dat te vereenvoudigen, komt er per 1 januari 2020 een bijtelling van 7 procent. Toch is Elbert niet onverdeeld positief over deze nieuwe regeling: ‘Als eerste vraag ik me af of mensen de huidige belasting überhaupt wel inhouden. Met een vaste bijtelling gaan die mensen er dus op achteruit. Maar deze regeling maakt het misschien ook minder aantrekkelijk om de fiets te nemen. Rijd je met een auto van de zaak niet meer dan 500 privékilometers, dan betaal je niets. Rijd je met de fiets van de zaak, dan heb je deze marge niet.’

Lees ook: Nieuwe rekenmethode fiets van de zaak

Vragen rondom bijtelling fiets

Ook zijn er nog een aantal aspecten in de regeling die Elbert aan wil stippen. ‘In deze regeling is er voor gekozen om bij de bepaling van de bijtelling te kijken naar de consumentenadviesprijs. Niet – zoals de werknemer mogelijk verwacht – de prijs die daadwerkelijk betaald werd en op de factuur staat. Het is dus mogelijk dat de bijtelling anders is dan verwacht. Ook moet je even goed nakijken wat een fiets is. Voor een simpel basismodel is die vraag makkelijk te beantwoorden. Maar hoe zit het met elektrische fietsen? Is een speed pedelec een fiets? Telt een snorfiets ook? Maar ik kan ook praktische vragen verzinnen. Hoe zit het bijvoorbeeld met het onderhoud van de fiets? Als de band lek is, wie regelt dat dan? Mag de werknemer dat onderhoud zelf doen en mag hij daar geld voor terugvragen? De werkgever is verantwoordelijk, maar hoe werkt het in de praktijk? ’

Lees ook: Fiets van de zaak: vergoeden, verstrekken of ter beschikking stellen?

Auto van de werknemer, fiets van de zaak

Als laatste vraagt Elbert zich af of de regeling voor een eigen auto en de regeling voor een fiets van de zaak wel samen gaan. Mogen die werknemers de kilometers met hun privéauto nog declareren? Er is door de fiets van de zaak per slot van rekening sprake van zogenoemd vervoer vanwege de werkgever. Moeten die mensen nu verplicht door weer en wind met de fiets naar het werk?

Heeft het mobiliteitsbudget nog nut?

Met al deze regelingen ontstaat de vraag of het mobiliteitsbudget eigenlijk nog wel nut heeft. Elbert denkt van wel, maar waarschuwt wel. ‘Het mobiliteitsbudget is gewoon een pot geld waarvan de werknemer elke maand mag reizen. Hij kan leasen, fietsen, het openbaar vervoer gebruiken of een combinatie van vervoersmiddelen maken. Maar dan kan een situatie ontstaan waarin het budget ruimschoots kostendekkend is. Dat kan het geval zijn wanneer hij per saldo meer dan 19 cent per zakelijke kilometer ontvangt. Kan de inspecteur aannemelijk maken dat de vergoeding ruimschoots kostendekkend is, en kan de werknemer het tegendeel niet onderbouwen, dan kan de privéauto, en straks misschien ook de eigen fiets in de bijtelling betrokken worden. Medewerkers met een mobiliteitsbudget die veel op de fiets komen, zouden dus in extreme gevallen geconfronteerd kunnen worden met een bijtelling voor hun eigen fiets. Ik verwacht niet dat de belastingdienst hier actief naar gaat speuren, maar het zou wel naar boven kunnen komen in een controle.’

Een zelfde probleem kan ontstaan met auto’s. De eigen auto van een werknemer kan op dezelfde manier in de bijtelling worden betrokken. Maar wat te denken van dit probleem: Een werkgever die een auto huurt en die ter beschikking stelt aan de werknemer creëert een situatie waarin bijtelling ontstaat. Maar wat als de werknemer zelf een auto huurt, betaalt en vervolgens declareert? Ook in dergelijke gevallen kan dit probleem spelen.

In het Klimaatakkoord is aangekondigd dat men in de toekomst denkt aan een mogelijke bonus bij een zuinig gebruik van een mobiliteitsbudget. Het is dus mogelijk dat dit risico in de toekomst tot het verleden gaat behoren.

Kilometerheffing en youngtimers

Elbert wacht met spanning op het wetsvoorstel Autobrief 3, maar vraagt zich af of die brief nog wel komt. ‘We hebben inmiddels het Klimaatakkoord gezien. Daar staan alle plannen al in. Mogelijk zien we het nog in de Prinsjesdagstukken. In de praktijk krijg ik bijvoorbeeld veel vragen over de youngtimerregeling. Deze regeling houdt in dat voor auto’s van 15 jaar of ouder een bijtelling geldt van 35 procent van de dagwaarde  (waarde in het economische verkeer). Deze regeling is interessant voor auto’s waarvan de dagwaarde fors lager is dan de originele cataloguswaarde. Er gaan geruchten dat deze regeling aangepast wordt. Dat zou met Prinsjesdag bekend gemaakt kunnen worden. Net als de plannen voor een kilometerheffing. Deze gaat straks alleen voor vrachtwagens gelden op bepaalde wegen en bekende sluiproutes. Maar je kunt er vergif op innemen dat personen- en bestelauto’s straks ook te maken krijgen met die heffing. Per slot van rekening starten ze nu al met drie verschillende proeftrajecten.’

Meer weten over mobiliteit? Kom naar de Personeel & Salaris Vakdag!Heleen Elbert geeft inzicht in de wijzigingen en de gevolgen voor werkgever en werknemer. Moeten we massaal aan de fiets van de zaak? Wat zijn de plannen voor de bijtelling? Kun je nog wat met het mobiliteitsbudget, en, last but not least: wat is het laatste nieuws van Prinsjesdag? Heleen Elbert praat u tijdens deze sessie helemaal bij.
Aan bod komt onder meer:PrinsjesdagAutobrief 3: het beleid voor de komende jarenNieuw in 2020: de bijtelling voor de fiets van de zaakEindejaarstips
Lees verder