Hypotheekrente tot echtscheiding niet altijd aftrekbaar

Wij werken in opdracht van zakelijke cliënten maar ook als mediator tussen twee belanghebbenden.

Gaat u scheiden, en blijft uw toekomstige ex in de woning wonen, dan kunt u de hypotheekrente gedurende een bepaalde periode toch aftrekken, ook al is de woning niet meer uw eigen woning. Bent u degene die in de woning blijft wonen, dan is deze aftrek echter niet gegarandeerd. De rechtbank in Haarlem heeft hierover onlangs een beslissing genomen. In dat geval bleef mevrouw in de woning wonen, die voor de helft haar eigendom was. Zij betaalde de volledige hypotheekrente. Bij de echtscheiding werd de hele woning aan haar toebedeeld. De Belastingdienst ging niet akkoord met de hypotheekrente aftrek in de periode dat de woning nog niet 100% haar eigendom was. Volgens de inspecteur had ze in die periode slechts recht op 50% aftrek, en niet op 100%. De rechtbank geeft de inspecteur gedeeltelijk gelijk: tot de datum waarop de rechter de echtscheiding uitsprak, had mevrouw slechts 50% eigendom, en dus ook maar 50% aftrek. Vanaf die datum kreeg mevrouw 100% aftrek. De echtscheiding was toen nog niet officieel ingeschreven, maar de rechter vindt dat ze dan al de economische eigendom van de woning bezit

Voor de liefhebber hebben wij de volledige uitspraak hieronder afgedrukt.

Auteur: mr. H.A. Elbert
Bron: Uitspraak Rechtbank Haarlem

Rechtbank Haarlem, nr. AWB 10/00811

U I T S P R A A K
Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer
28 september 2010
1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Verweerder heeft aan eiseres met dagtekening 29 oktober 2009 voor het jaar 2006 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 42.518 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 767. Daarnaast is bij beschikking € 435 heffingsrente in rekening gebracht.

1.2. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 8 februari 2010 de aanslag en de beschikking heffingsrente gehandhaafd.

1.3. Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 september 2010.
Eiseres is daar in persoon verschenen. Namens verweerder is verschenen A.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Eiseres is gescheiden van B. De echtscheidingsbeschikking dateert van 29 juni 2004 en is per 3 september 2004 ingeschreven.
Tot november 2003 woonden eiseres en de heer B samen in de echtelijke woning gelegen aan de a-straat 1 te Z (hierna: de woning). Zij waren ieder voor 50% eigenaar van de woning. Met ingang van 1 november 2003 was de heer B niet meer woonachtig in deze woning.

2.2. Bij vonnis van de rechtbank Arnhem van 28 juni 2006 is de woning en de daarop rustende hypotheekschuld toebedeeld aan eiseres.
In dit vonnis is onder meer het volgende opgenomen:
“2.6 Het voorgaande brengt mee dat de onroerende zaak aan mevrouw wordt toegedeeld, en dat zij meneer moet betalen ½ x (€ 425.000,- minus de hypotheekschuld zoals die was op
1 november 2003). De hypotheekschuld wordt verrekend naar de stand van die schuld op
1 november 2003, omdat sinds omstreeks die datum meneer niet meer in het huis woont en er in het bovenstaande van uit gegaan is dat mevrouw de hypotheekrente is blijven betalen; mocht daar een achterstand in zijn ontstaan, dan komt dat op deze wijze voor haar rekening).
(…)
De beslissing
in conventie en in reconventie
in aansluiting op de eindbeslissingen in de vonnissen van 29 juni 2005 en 4 januari 2006:
De rechtbank
1.  deelt aan partij X toe de onroerende zaak met kadastrale aanduiding Q, grootte 4 a 8 ca, plaatselijk bekend a-straat 1 te Z, en de hypotheekschuld die op deze zaak rust, onder de voorwaarde dat partij B wordt ontslagen uit zijn verplichtingen ten aanzien van de hypothecaire geldlening en partij X hem uitkeert ½ x (€ 425.000 minus de hypotheekschuld op 1 november 2003), met bepaling dat, indien partij B niet na sommatie door partij X meewerkt aan het tot stand komen van de notariële akte van overdracht van de onroerende zaak en de hypotheekschuld, dit vonnis in de plaats treedt van die notariële akte,
2.  verklaart dit vonnis wat betreft de beslissing onder 1 uitvoerbaar bij voorraad,
(…)”

2.3. De akte van verdeling en levering dateert van 8 september 2006.

2.4. Eiseres heeft op 5 februari 2007 aangifte IB/PVV 2006 gedaan.

2.5. Met dagtekening 12 mei 2007 legt verweerder een voorlopige aanslag 2006 op berekend naar een box 1-inkomen van € 36.563 en een box 3-inkomen van € 767.

2.6. Op 7 mei 2009 ontvangt verweerder een tweede aangifte IB/PVV 2006 van eiseres. In de aangifte is een bedrag van € 28.947 opgenomen voor betaalde rente en kosten van hypothecaire geldleningen ten behoeve van de eigen woning. Een bedrag van € 5.955 is gespecificeerd als hypotheekrente vóór juridische overdracht van de woning.
Verder is als persoonsgebonden aftrek (betaalde alimentatie) een bedrag van € 5.955 in aftrek in aanmerking genomen.

2.7. Verweerder heeft bij het vaststellen van de definitieve aanslag 2006 de hypotheekrente, in aftrek gebracht als betaalde alimentatie, gecorrigeerd met € 5.955 (te weten de helft van de hypotheekrente van € 11.910 over de periode 1 januari tot 8 september) hetgeen resulteerde in een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 42.518 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 767.

2.8. Bij brief van 9 maart 2008 heeft eiseres verzocht om toepassing van de hardheidsclausule.
Bij brief van 18 april 2009 heeft het Ministerie van Financiën daarop negatief beslist.
Bij brief van 23 september 2008 heeft eiseres zich gericht tot de Commissie voor de verzoekschriften van de Tweede Kamer.
De Commissie heeft bij brief van 29 september 2008 afwijzend op dit verzoek gereageerd.
De Staatssecretaris heeft bij brieven van 28 oktober 2008 en 26 november 2008 op het verzoek van eiseres gereageerd.
Bij brief van 19 december 2008 van de Commissie voor de verzoekschriften van de Tweede Kamer gericht aan de Staatssecretaris verklaart de voorzitter zich akkoord met de conclusie op het verzoekschrift.

3.  Geschil en standpunten van partijen

3.1. In geschil is of eiseres recht heeft op aftrek van het totale bedrag aan door haar betaalde hypotheekrente over de periode 1 januari 2006 tot 28 juni 2006 toen de woning behoorde tot de helft van de onverdeelde boedel en over de periode 28 juni 2006 tot en met 8 september 2006 (datum akte verdeling en levering).

3.2. Eiseres is van mening dat zij naast de in aftrek toegestane hypotheekrente eveneens recht heeft op aftrek hypotheekrente over de periode van 1 januari 2006 tot 28 juni 2006 ten bedrage van € 4.311 als ook over de periode van 28 juni 2006 tot 8 september 2006 ten bedrage van € 1.644 gedurende welke laatste periode de woning nog bij haar ex-echtgenoot in juridische eigendom was maar zij de economische eigendom had. Indien de betaalde hypotheekrente ad € 5.955 niet als zodanig voor aftrek in aanmerking komt stelt eiseres zich op het standpunt dat het als betaalde alimentatie in aanmerking dient te worden genomen.
Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep.

3.3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat slechts de helft van het totale bedrag van
€ 11.910 aan hypotheekrente over de periode 1 januari 2006 tot 8 september 2006 (derhalve € 5.955), bij eiseres aftrekbaar is. De andere helft kan noch als rente noch als alimentatie in aftrek worden toegelaten. Verweerder betwist dat sprake is van economische eigendom in de periode van 28 juni 2006 tot 8 september 2006.
Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Artikel 3.111 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001, tekst 2006) luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
“1. In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder eigen woning: een gebouw, een duurzaam aan een plaats gebonden schip of woonwagen in de zin van artikel 1 van de Woningwet, of een gedeelte van een gebouw, een schip of een woonwagen, met de daartoe behorende aanhorigheden, voorzover dat de belastingplichtige of personen die behoren tot zijn huishouden anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat op grond van:
a. eigendom, waaronder begrepen economisch eigendom, of een recht van lidmaatschap van een coöperatie, indien met betrekking tot die woning de belastingplichtige of zijn partner de voordelen geniet, de kosten en lasten op de belastingplichtige of zijn partner drukken en de waardeverandering hen grotendeels aangaat;
(…).”

4.1.2. Artikel 3.120 van de Wet IB 2001 luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
“1. De aftrekbare kosten met betrekking tot een eigen woning zijn het gezamenlijke bedrag van:
a. de renten van schulden, kosten van geldleningen daaronder begrepen, die behoren tot de eigenwoningschuld;
(…)”

4.1.3. Artikel 6.3 van de Wet IB 2001 luidt – voor zover van belang – als volgt:
“1. Onderhoudsverplichtingen zijn:
a. periodieke uitkeringen en verstrekkingen op grond van een rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende verplichting, tenzij deze worden gedaan aan bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of in de tweede graad van de zijlijn;
(…)
f. in rechte vorderbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen die berusten op een dringende morele verplichting tot voorziening in het levensonderhoud.
(…).”

Periode 1 januari 2006 – 28 juni 2006
4.2. De datum van de echtscheidingsbeschikking is 29 juni 2004 en deze beschikking is per 3 september 2004 ingeschreven. Vóór de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking behoort de woning tot de gemeenschap van goederen. De inschrijving van de echtscheidingsbeschikking heeft tot gevolg dat er een einde is gekomen aan de huwelijksgemeenschap. Er is een ontbonden gemeenschap ontstaan waarbij eiseres en de heer B beiden in gelijke mate gerechtigd zijn. Gelet op het vorenstaande was de woning op grond van artikel 3.111, eerste lid, onderdeel a van de Wet IB 2001 in ieder geval tot 28 juni 2006 voor de helft als eigen woning van eiseres aan te merken. De rentebedragen die voortvloeien uit de schuld die betrekking heeft op het gedeelte van de woning dat bij eiseres in eigendom is, zijnde € 4.311, kan zij als aftrekbare kosten in aanmerking nemen op grond van artikel 3.120 van de Wet IB 2001.

4.3. De stelling van eiseres dat artikel 3.111, vierde lid, van de Wet IB 2001 meebrengt dat in geval van echtscheiding de volledige aftrek van hypotheeklasten gewaarborgd blijft, wordt verworpen. De rechtbank overweegt hiertoe dat artikel 3.111, vierde lid, van de Wet IB 2001 een tegemoetkoming biedt, gedurende een bepaalde periode, voor gevallen waarin een belastingplichtige nog (een deel van de) aftrekbare kosten met betrekking tot een woning draagt, die de belastingplichtige voorheen als eigen woning ter beschikking stond en gedurende deze periode nog aan de gewezen partner ter beschikking staat. Nu eiseres de woning zelf is blijven bewonen, is genoemde wettelijke bepaling niet op haar van toepassing. Uit de wettekst valt niet af te leiden dat genoemde regeling mede is bedoeld voor de partner die in de woning blijft wonen en de volledige kosten met betrekking tot de woning draagt. Dat een dergelijke voorziening er niet is voor de partner die in de woning blijft wonen is een keuze geweest van de wetgever. Deze keuze is niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel, nu de vertrekkende en de achterblijvende partner niet zijn te beschouwen als gelijke gevallen.

4.4. De door eiseres voor de woning betaalde hypotheekrente voor zover die is betaald op de onverdeelde helft van de schuld die toebehoorde aan de heer B kan eveneens niet door eiseres als kosten van alimentatie in aftrek worden gebracht. Door het voor haar rekening nemen van dit gedeelte van de kosten voorziet eiseres immers niet in het onderhoud van haar ex-echtgenoot in de zin van artikel 6.3 van de Wet IB 2001. Op eiseres rust namelijk geen familierechtelijke verplichting in de vorm van partneralimentatie en ten aanzien van de kinderalimentatie is niet uitdrukkelijk rekening gehouden met het betalen van de tweede helft van de hypotheekrente, terwijl evenmin sprake is van een in rechte vorderbare periodieke uitkering die berust op een dringende morele verplichting tot voorziening in het levensonderhoud.

4.5. Aldus komt het ter zake van deze periode in geschil zijnde bedrag van € 4.311 niet voor aftrek in aanmerking.

Periode 28 juni 2006 – 8 september 2006
4.6. De rechtbank stelt voorop dat blijkens artikel 3.111 van de Wet IB 2001 onder eigendom mede wordt verstaan economische eigendom. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres vanaf 28 juni 2006 de economische eigendom van de woning. De rechtbank acht daarbij van belang dat in het vonnis van 28 juni 2006 de onroerende zaak per die datum aan eiseres wordt toegedeeld en de (over)waarde van de woning wordt vastgesteld, zodat een waardeverandering vanaf die datum alleen eiseres aangaat. Voorts is in genoemd vonnis de hypotheekschuld berekend naar de stand van 1 november 2003 en is daarbij bepaald dat zowel de schuld als daaruit voortvloeiende rentebetalingen vanaf 1 november 2003 geheel voor rekening van eiseres komen. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt dat geen sprake is van economische eigendomsoverdracht op 28 juni 2006, omdat voor de overdracht de wilsbeschikking van de heer B nodig is. Het vonnis van 28 juni 2006 is immers uitvoerbaar bij voorraad verklaard en in het vonnis is opgenomen dat het in de plaats treedt van de notariële akte indien de heer B niet meewerkt aan het tot stand komen van de notariële akte van overdracht. De juridische overdracht van de eigendom van de woning kan derhalve plaatsvinden zonder wilsbeschikking van de heer B. Het standpunt van verweerder dat de akte van overdracht te zijner tijd moet worden voorgelegd aan de inspecteur in verband met de beoordeling of overdrachtsbelasting is verschuldigd, betekent niet dat eiseres niet op een eerder tijdstip al als economisch eigenaar zou kunnen worden aangemerkt.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat eiseres als economisch eigenaar van de woning per 28 juni 2006 het totale bedrag aan hypotheekrente in aftrek kan brengen. Verweerder heeft de helft van het bedrag over de periode van 28 juni tot 8 september, zijnde € 1.644, derhalve ten onrechte niet in aanmerking genomen. De aanslag dient daarom te worden verminderd naar een brekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 40.874 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 767. Het beroep wordt gegrond verklaard.

4.7. Nu de belastingaanslag dient te worden verminderd, brengt dit met zich dat ook de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig moet worden verlaagd.

5. Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Hiervoor komen op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht in aanmerking de reiskosten per openbaar vervoer tweede klasse die eiseres heeft moeten maken om de zitting te kunnen bijwonen.
De rechtbank stelt deze kosten op € 6.

6. Beslissing

De rechtbank:
– verklaart het beroep gegrond;
– vernietigt de uitspraak op bezwaar;
– vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 40.874 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 767 en bepaalt dat deze uitspraak in zo verre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
– veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 6;
– gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 41 vergoedt.

Deze uitspraak is vastgesteld door mr. T.A. de Hek, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C. Anema, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 september 2010.

Een reactie op “Hypotheekrente tot echtscheiding niet altijd aftrekbaar

  1. Astectdat schreef:

    goede start

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *