Box 3 heffing kan door de beugel

U hebt er vast wel iets van meegekregen: de vraag of de box 3 heffing van 1,2% over uw vermogen nog wel door de beugel kan.

Het percentage van 1,2 is in feite een belastingheffing van 30% over een denkbeeldig (fictief) rendement van 4%. Of u echt 4% rendement behaalt op uw vermogen is daarbij niet van belang.

 

Een naar Noorwegen geëmigreerde Nederlander vond het niet terecht dat hij belasting moet betalen over de waarde van zijn Nederlandse onroerende goed (zijn oude woning). Per slot van rekening kwam het werkelijke rendement van dit leegstaande huis niet in de buurt van deze 4%. De Hoge Raad heeft onlangs uitspraak gedaan in deze kwestie. Hij heeft bepaald dat een fictief rendement van 4% over de jaren tot en met 2011 (het jaar waar deze zaak over gaat) helemaal niet zo vreemd is. Deze box 3 heffing is in de ogen van de Hoge Raad alleen onterecht wanneer het werkelijke rendement in een reeks van jaren flink afwijkt en – niet onbelangrijk – men hierdoor aanzienlijk benadeeld is. In de woorden van de Hoge Raad:

2.4.1.3. Van het forfaitaire stelsel van box 3 kan, gelet op voormelde uitgangspunten, niet worden gezegd dat het elke redelijke grond ontbeert. Gelet op de ruime beoordelingsmarge die de wetgever op het terrein van het belastingrecht toekomt, is dit stelsel niet in strijd met artikel 1 EP. Dit stelsel zou slechts dan in strijd komen met artikel 1 EP indien zou komen vast te staan dat het destijds door de wetgever voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van vier percent voor particuliere beleggers niet meer haalbaar is en belastingplichtigen, mede gelet op het toepasselijke tarief, zouden worden geconfronteerd met een buitensporig zware last (zie HR 3 april 2015, nr. 13/04247, ECLI:NL:HR:2015:812, BNB 2015/174). Indien deze onhaalbaarheid duidelijk zou worden en de wetgever ervoor kiest uit te blijven gaan van een forfaitair rendement, mag van hem worden verlangd dat hij de regeling aanpast teneinde de beoogde benadering van de werkelijkheid te herstellen.

 

Auteur: mr. H.A. Elbert

Bron: HR 10 juni 2016, nr. 14/05020

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *